IKK 2019

Vanaf 1 januari 2019 gaat de wet IKK 2019 in. Er zullen dan verschillende ingrijpende veranderingen in de kinderopvang plaatsvinden.

Wat verandert er door de Wet IKK per 1 januari 2019?

De buitenruimte

De aanpassing in de regelgeving over de buitenruimte is uitgesteld. De afgelopen jaren is gebleken dat er met name onduidelijkheid is bij gedeelde buitenruimtes met bijvoorbeeld scholen. De knelpunten zijn deels in kaart gebracht en in 2018 zal worden bepaald welke specifieke eisen er vanaf 1 januari 2019 gaan gelden voor gedeelde buitenruimtes.  In ieder geval zal de bestaande eis dat ieder kind minimaal 3 m² tot zijn beschikking heeft, blijven bestaan.

Wijziging Beroepskracht-kindratio (bkr) babyopvang en op de BSO

De belangrijkste maatregel is dat per januari 2019 de bkr voor 0-jarigen wordt gewijzigd. De bkr voor baby’s tot 1 jaar wordt vanaf 1 januari 2019 drie baby’s op één pedagogisch medewerker. Nu is dat nog vier baby’s op één pedagogisch medewerker. Dat betekent dus hogere personeelskosten. Op de BSO wordt de bkr per 1 januari 2019 verruimd van tien kinderen per pedagogisch medewerker naar 12 kinderen per pedagogisch medewerker.

Kostenstijgingen

De geraamde kostenstijgingen voor kindercentra door die nieuwe bkr-regels zijn hoger dan het ministerie dit voorjaar heeft aangegeven. Uit een onderzoek van adviesbureau Buitenhek blijkt dat de verwachte kosten hoger zijn dan de kostenramingen van het ministerie. Verder zijn er grote verschillen tussen kindercentra. Voor kleinere kinderdagverblijven zullen de personeelskosten in 2019 harder stijgen dan bij grootschalige kinderopvanglocaties. Hierdoor dreigt – met name in kleinere gemeenten –  kinderopvang vanaf 2019 duurder te gaan worden. Dit betekent dat de toegankelijkheid van de kinderopvang voor kinderen van ouders met lagere inkomens, in gevaar komt. Mede daarom heeft de minister afgelopen juli besloten de aangepaste bkr-eisen met een jaar uit te stellen.

Dat betekent alleen uitstel. Hopelijk is de overheid zo verstandig om eerder en beter op een rijtje te zetten wat de werkelijke hogere personeelskosten zullen zijn en al voor de zomer van 2018 een duidelijke indicatie te geven van de maximale kinderopvangvergoedingen voor ouders per 1 januari 2019. Anders zijn kindercentra niet in staat om tijdig de noodzakelijke maatregelen nemen.

Uitzoeken

Voor kindercentra zelf is het van essentieel belang om niet te gaan zitten wachten tot het 2019 is. Zij zullen de eerste helft van 2018 moeten gebruiken om goed in kaart te brengen wat dit betekent per opvanglocatie. Daar is geen algemene formule voor. Het hangt af van het pedagogische beleid (horizontale groepen en/of verticale groepen), het aantal kindplaatsen, het aantal stamgroepen, de leeftijdsopbouw van de kinderen op de locatie, de grootte van stamgroepruimtes, de eventuele mogelijkheid om het aantal kindplaatsen op de locatie uit te breiden, et cetera.  Hetzelfde geldt voor de verruimde BSO bkr per 1 januari 2019.  Zijn er überhaupt voldoende extra vierkante meters om in een basisgroepsruimte 24 in plaats van 20 kinderen op te gaan vangen? En wat zijn de eventuele kosten van een dergelijke uitbreiding?

Pedagogisch beleidsmedewerker

Dit is de andere belangrijke verandering per 1 januari 2019. Op ieder kindercentrum moet ook een HBO-geschoolde pedagogisch beleidsmedewerker (PBM’er) worden ingezet. Aan welke precieze opleidingseisen deze PBM’er moet voldoen, is nog niet duidelijk, want dit moet nog verder worden uitgewerkt in de cao kinderopvang.

De PBM’er moet jaarlijks een aantal uren worden ingezet voor het coachen van de pedagogisch medewerkers, het vorm geven van het pedagogisch beleid en de implementatie van dit beleid. Hoeveel uur per locatie dit is wordt bepaald door de volgende formule: (50 uur x het aantal kindercentra) + (10 uur x aantal fte pedagogisch medewerkers). Het kindercentrum bepaalt zelf wanneer de PBM’er op de vestigingen ingezet wordt. Elke pedagogisch medewerker krijgt coaching. Het is mogelijk om de PBM’er als die op de groep staat als pedagogisch coach, formatief in te zetten. De PBM’er telt dan mee voor de bkr.

Hoe, waarvoor en wanneer de PBM’er wordt ingezet moet schriftelijk worden vastgelegd. Hetzelfde geldt voor de coachingssessies van de pedagogisch medewerker.
Ook hier is het verstandig om 2018 te gebruiken om het beleid goed op te zetten en tijdig op zoek te gaan naar een goede PBM’er. Voor kleinere kindercentra is het belangrijk om te weten dat deze PBM’er niet per se in (loon-)dienst hoeft te worden genomen.

 

Comments are closed.